A
AANBRENGROL:
Een onderdeel van de coatingkop van de tegenrol die de kleeflaag op de drager aanbrengt.
ACETAATFOLIE:
Chemisch behandelde cellulose. Deze transparante folie biedt superieure bestendigheid tegen vocht en verouderingsverschijnselen.
ACHTERLATEN:
Deeltjes van de scheidingslaag blijven op de kleeflaag achter.
ACRYLKLEEFLAAG:
Een drukgevoelige kleefstof die wordt gevormd door polymerisatie van acrylester monomeren. Deze kleefstoffen zijn helder en hebben goede eigenschappen voor wat betreft veroudering en weerbestendigheid.
AFBLADDEREN:
Het afschilferen of barsten van de verf van de drager van een masking tape tijdens verwijdering na gebruik.
AFDICHTENDE COATING: (Zie ook - Scheidingslaag)
De speciale behandeling die doorgaans op de achterzijde van de tape wordt toegepast die de tape de volgende voordelen oplevert:
- Regelt de kracht die nodig is voor het afwikkelen van een rol of tape.
- Verhoogt de bestendigheid tegen vocht en oplosmiddelen.
- Biedt eigenschappen zoals glans, gladheid en kleur.
AFDRUK:
De mechanische afdruk van een tapepatroon op het oppervlak waarop de tape is aangebracht:
AFSCHUIFKLEEFKRACHT:
zie Hechtkracht
AFSCHUIFKRACHT:
De bestendigheid tegen het afschuiven van de tape of van het van elkaar gescheiden worden van de tape en de kleeflaag bij uitoefening van een belasting op het oppervlak van de tape.
AFSTRIJKROL:
Een rol die de hoeveelheid kleefstof die op de verspreider van een tegenrolcoater wordt aangebracht regelt. Draaien met een andere snelheid leidt tot afvegen.
AFSTRIJKSTOK OF -BLAD:
Het schraapmechanisme dat wordt gebruikt om de hoeveelheid kleefstof die op verspreidingsrollen van een coater wordt aangebracht te regelen.
AFWIKKELEN:
Tape van een rol verwijderen of afwikkelen. Afwikkeleigenschappen worden beïnvloed door de kleefkracht van de tape aan de eigen drager.
AFWIKKELKLEEFKRACHT:
De kracht die nodig is om tape onder voorgeschreven omstandigheden van een rol af te wikkelen.
Chemische stoffen die niet zijn gebaseerd op koolstof (carbonaten, koolstofoxiden en carbiden zijn uitzonderingen).
ANTIOXIDANT:
Chemische stoffen die aan de tapecomponenten worden toegevoegd ter bescherming tegen aantasting door zuurstof teneinde de technische levensduur van de tape te verlengen.
APPRETEREN:
Het proces van het aanbrengen van een oplossing op een weefsel- of garenoppervlak ter verbetering van de transport- of functionele eigenschappen van het materiaal.
AS:
Een onderdeel van de snijmachine waarop de kernen worden geschoven en waarop de afzonderlijke taperollen worden gewikkeld.
B
BANDOLERING:
Het tapen van onderdelen voor automatische sequentieapparatuur, zoals schroeven, nagels, elektronische onderdelen of andere kleine onderdelen.
BEDRUKBAARHEID:
Het vermogen om inkt vast te houden of te worden bedrukt zonder dat de opdruk tijdens het wikkelen/afwikkelen beschadigd raakt.
BELANGRIJKSTE COATING: (zie GRONDLAAG)
BESTENDIGHEID TEGEN DOORSNIJDEN:
De bestendigheid tegen het snijden met draad of scherpe randen van een pakket of onderdeel, zodat dit niet tot scheuren leidt.
BESTENDIGHEID TEGEN OPLOSMIDDELEN:
De bestendigheid van een drager of kleefstof tegen oplossing in een organisch oplosmiddel.
BESTENDIGHEID TEGEN ULTRAVIOLETTE STRALING:
De bestendigheid tegen kwaliteitsvermindering door ultraviolette straling, zoals in zon/daglicht.
BESTENDIGHEID TEGEN VEROUDERING VAN DE ROL:
zie Opslagstabiliteit
BESTENDIGHEID TEGEN WEERSINVLOEDEN, OPLOSMIDDELEN, ZUREN, LOGEN, OLIËN, VETTEN, ENZ.
Het vermogen van een tape om na het aanbrengen bij blootstelling aan dergelijke omstandigheden naar behoren te presteren.
BIAXIALE ORIËNTATIE:
Een techniek voor het rangschikken van de moleculaire structuur ter verhoging van de trekkracht van folies in zowel de machinerichting (lengterichting) als in de dwarsrichting (in de breedterichting). Na de oriëntatie wordt het materiaal gerekt en met hete lucht gedroogd.
BLOKKEREN:
Als tapelagen aan elkaar plakken op een rol, waardoor scheiden/afwikkelen niet zonder beschadiging kan plaatsvinden. Dit gebeurt meestal onder druk of tijdens opslag.
BOVENZIJDE:
Dit is de zijde van een dubbelzijdige tape zonder schutlaag. Wordt ook ‘open zijde’ genoemd.
BRANDVERTRAGEND:
Vuurbestendige materialen.
BREEKKRACHT:
De bestendigheid van een tape tegen een loodrecht op het tapeoppervlak uitgeoefende kracht.
BREUKBELASTING:
De kracht die nodig is om een tape van een bepaalde lengte onder voorgeschreven omstandigheden te laten breken. Dit wordt meestal gemeten in de lengterichting van de tape (machinerichting).
BUIGSTERKTE:
De sterkte van een materiaal tijdens het buigen (d.w.z. de breukbestendigheid).
BUTADIEEN:
Een chemische bouwstof waarvan vele soorten synthetisch rubber worden gemaakt. Zie - Styreenbutadieen.
C
CELLULOSE:
Het natuurlijke ingrediënt van een standaard chemische bouwstof voor het maken van papiervezels.
COATER:
De machine voor het aanbrengen van de kleeflaag op tapedragers.
COATING:
Het aanbrengen van viscosematerialen op verschillende soorten ondergronden en dragers door middel van coaten met een tegenrol, luchtafstrijker, afstrijkwals en afstrijkmessen. Door deze materialen op ruwe dragers aan te brengen, worden de tapes drukgevoelig gemaakt.
COATINGBLAAS:
Een kleine verhoging op de coatmassa die lijkt op een blaar.
COHESIEKRACHT:
De interne kracht van de kleeflaag en de bestendigheid tegen door externe belastingen veroorzaakte spanning.
CORROSIE:
Elektrolytische of chemische aantasting van een oppervlak waarop tape is aangebracht.
CRÊPEPAPIER:
Papier dat een behandeling heeft ondergaan om het voegbaar en flexibel te maken met behoud van de goede trekkracht.
D
3-D MIXER:
Een snelle mengmachine met messen voor het tot een oplossing mengen van kleefstofingrediënten.
DEFECT:
De tape voldoet niet aan de ontwerpeisen.
DELAMINATIE:
Delaminatie is het afscheuren of afsplitsen van de drager in de tape zelf. Bij gelamineerde tapes de scheiding van de lagen tijdens het afwikkelen. Bij papieren tapes vindt de delaminatie meestal in het papier plaats.
DICHTHEID:
Dichtheid is het gewicht per volume-eenheid van een stof bij een specifieke druk en temperatuur.
DIRECTE COATING:
Het direct aanbrengen van een oplossing op het te coaten weefsel door een gegraveerde rol van een coatingmachine voor drukrollen.
DISPERSIE:
Een mengsel waarin fijne deeltjes van één stof door een andere stof zijn verspreid.
DODE UITREKKING:
Na het rekken krimpt de tape niet terug tot de oorspronkelijke lengte. Dit is vooral belangrijk bij masking tapes van crêpepapier.
DOEZELING:
Een onregelmatige verfrand veroorzaakt door het onder de rand van een masking tape doorkruipen van verf tijdens gebruik. Kan ook de slordige randen bij sommige tapes beschrijven als er problemen zijn geweest tijdens het op de draaibank uitgevoerde snijproces.
DOMPELIMPREGNATIE:
De verzadiging van een weefsel door deze in latex of een oplossing te dompelen om de vezels onderling te verbinden en te hechten.
DOORDRINGBAARHEID:
De mogelijkheid en het gemak waarmee een vloeistof of gas door een tape of folie dringt.
DOORLOPEN:
Als stoffen de tape doordringen tot het oppervlak waarop de tape is aangebracht.
DOORSLAG:
Dit komt voor als een coatingoplossing door het weefsel heen wordt aangebracht, waarbij de coating gedeeltelijk aan de achterkant tevoorschijn komt.
DOORSLAGSPANNING:
Dit is de maximale elektrische spanning waartegen een materiaal bestand is zonder te scheuren. Deze wordt meestal aangegeven in volt per millimeter dikte en is ook bekend als elektrische kracht.
DOSERINGSROL:
Een onderdeel van de coatingkop van de tegenrol dat een afknijping of opening creëert voor het regelen van de hoeveelheid kleefstof die de aanbrengrol aanbrengt.
DRAADINDELING:
Het patroon van draden in een versterkte tape.
DRAAIBANKSNIJDER:
Een machine voor het snijden van afzonderlijke taperollen uit een grote taperol (productierol). De productierol draait terwijl een vast, draaiend rond blad de gewenste breedte snijdt.
DRADERIGHEID:
De toestand van een massa als deze zeer zacht en papperig aanvoelt. Bij nader onderzoek kunnen lange draden van de massa worden getrokken.
DRAGER:
Flexibele ondersteunende folie, textiel of papier of ander materiaal voor een enkel gecoate tape waarop een drukgevoelige kleeflaag wordt aangebracht. De drager is een functioneel onderdeel van de tape.
DRUKCOATINGUNIT:
Een unit bestaande uit twee gegraveerde drukrollen en een gasverhitte verticale geforceerde luchtdroogoven.
DRUKGEVOELIG:
Materialen die bij het aanbrengen zelfs zonder warmte of oplosmiddelen hechten.
DRUKVERVORMING:
De vervorming van rubber of kunststof als gevolg van druk.
DUBBEL BEKLEDE TAPE:
Een tape met coatings aan beide zijden van de drager met schutlaag. Ook bekend als dubbelzijdige tape.
E
ELASTISCH GEHEUGEN:
Het tegenovergestelde van Dode uitrekking. Het vermogen van de tape om na het opheffen van de spanning naar de oorspronkelijke lengte terug te keren. Elastisch geheugen is vooral belangrijk bij vinyl tapes.
ELASTOMEER:
Natuurlijke of synthetische materialen met rubberachtige eigenschappen.
ELEKTROLYTISCHE CORROSIEFACTOR:
Het corrosieve effect van een tape op een kale koperen geleider. Wordt uitgedrukt als verhouding waarbij 1,0 geen corrosie onder testomstandigheden aangeeft en verhoudingen van minder dan 1,0 de mate van corrosie weergeven.
EPOXY:
Verschillende, meestal thermohardende harsen die sterke onderling gekoppelde polymeerstructuren kunnen vormen. Zij worden gekenmerkt door taaiheid, sterke kleefkracht en weinig krimp en worden vooral in oppervlaktecoatings en kleeflagen gebruikt.
ETIKETTENTAPE:
Drukgevoelige tape of drukgevoelig papier dat geschikt is voor bedrukken en stansen. Wordt vooral voor etiketten gebruikt.
F
FENOLHARS:
Groep harsen afgeleid van fenol en vaak gebruikt als uithardingsmiddel in kleefstoffen voor bestendigheid tegen hoge temperaturen en hoge cohesiekracht.
FILAMENT:
Fijn of fijngesponnen garen, vezel of draad dat wordt gelamineerd tot dragers voor de productie van zeer sterke tapes.
FLEXIBILITEIT:
Het vermogen van een tape voor vrije buiging of rekking tijdens het aanbrengen. Dit is vooral belangrijk voor toepassingen bij lage temperaturen.
FOLIE:
Dun, flexibel vel of blad van metaal, zoals koper of aluminium.
G
GAATJE:
Klein defect in de massa of drager dat licht of elektriciteit kan doorlaten.
GRAVURECOATER: (ook bekend als printcoater)
Deze coatingmachine brengt een bepaalde hoeveelheid kleefstof op een ondergrond aan met behulp van geëtste of gegraveerde rollen.
GECOAT TEXTIEL:
Een weefsel waarop een coating zoals rubber of kunststof is aangebracht ter verhoging van de vochtbestendigheid.
GELAMINEERD:
Gelamineerde tape is een tape met een drager bestaande uit twee of meer door een kleeflaag aan elkaar verbonden materialen.
GELEIDING, OPPERVLAK:
Het vermogen om elektrische stromen langs het oppervlak te geleiden.
GEMETALLISEERD POLYESTER (of ANDERE FOLIE):
Een polyester folie waarop een dun laagje metaal is aangebracht.
GESPOELDE TAPE/MET SPOELMACHINE GEWIKKELDE TAPE
Een spiraalsgewijs rondom een brede kern in lagen gewikkelde tape, waarbij ongebruikelijk grote lengtes mogelijk zijn.
GEWEVEN:
Textiel gevormd door scheringen en inslagen met alle draden in de machinerichting. Een ONGEWEVEN materiaal is een textielachtig materiaal gemaakt van vezels die willekeurig zijn neergelegd in een proces dat lijkt op het maken van papier. De vezels worden vervolgens met behulp van een bindmiddel of warmte en druk verbonden.
GLADDE PAPIERDRAGER:
Deze term wordt gebruikt voor een drager van glad papier om dit te onderscheiden van dragers van crêpepapier.
GLANZENDE AFWERKING:
De mate van reflectie van een tapedrager die meestal wordt uitgedrukt als glanzend, weinig glanzend, dof, enz. Een meer specifieke definitie is een meting volgens de Gardner-schaal die de absorptie meet van licht dat vanuit een straal met een bepaalde invalshoek wordt gereflecteerd.
GRONDLAAG
Een grondlaag die op een ondergrond wordt aangebracht om de kleeflaag aan die ondergrond te laten hechten.
H
HAND:
De soepelheid van textiel, tape of folie.
HARDHEID:
De bestendigheid van een kleeflaag tegen vloeien.
HARS:
Materialen die een kleeflaag van rubber of hars kleefkracht en drukgevoeligheid geven.
HECHTING:
Een stof of middel dat twee of meer objecten of onderdelen aan elkaar verbindt. Doorgaans worden hier thermoplastische tapes mee bedoeld.
HECHTKRACHT:
De hoeveelheid kleefkracht tussen gehechte oppervlakken gemeten als de spanning die nodig is om een materiaallaag van de basis waarop deze is gehecht te scheiden.
HECHTKRACHT (2):
De bestendigheid tegen afschuiven onder belasting. Dit wordt gemeten door een standaardvlak tape op een verticaal testpaneel aan te brengen en een standaardgewicht aan het vrije uiteinde van de tape te bevestigen.
HECHTING AAN CHROOM:
De bestendigheid tegen afschuiven indien aangebracht op een verchroomde strip onder belasting met een bepaald gewicht. De belasting wordt meestal uitgeoefend onder een hoek van 0 of 20 graden met een gewicht van 400 gram.
HECHTING AAN KARTONNEN DOOS:
De bestendigheid tegen afschuiven indien aangebracht op een kartonnen doos onder belasting met een bepaald gewicht.
HENNEPPAPIER:
Deze papiersoort werd vroeger gemaakt van touwafval. Het verminderde gebruik van henneptouw veroorzaakte een tekort aan touw en dus worden nu ook zuivere hennepvezels gebruikt.
HERWIKKELD:
Een taperol die herwikkeld is om de defecten te verwijderen.
HERWIKKELMACHINES:
Machines die afzonderlijke rollen die niet aan de norm voldoen herwikkelen om zo de goede delen van het product te redden.
HITTEBESTENDIGHEID:
De weerstand die een tape ondervindt als deze tijdens de hittebehandeling op een ondergrond wordt aangebracht.
HITTEBESTENDIGHEID (2):
Dit is de bestendigheid van een tape tegen blootstelling aan bepaalde temperaturen na het aanbrengen op een oppervlak. Schone verwijdering na blootstelling kan belangrijk zijn voor de gebruiker.
HOMOGENISATOR:
Een machine voor het verspreiden of oplossen van materialen onder hoge snelheid of hoge druk.
HOUDBAARHEID:
De tijd dat een opslagen tape nog bruikbaar is.
HYDROLYSE:
Ontleding van een chemische samenstelling door een reactie met water.
HYGROSCOPISCH:
Direct vocht absorberen, meestal uit de atmosfeer.
I
IMPREGNEREN:
Verzadiging van de kleeflaag met afzonderlijke vezels die vervolgens worden verbonden ter verbetering van de fysieke en chemische eigenschappen. Deze impregnatie voorkomt delaminatie en verhogen de bestendigheid tegen vocht en oplosmiddelen.
IN TWEE RICHTINGEN:
Dwarsdraden worden opgenomen voor meer sterkte en weerstand.
INHIBITOR:
Een stof die de chemische reacties vertraagt.
INKAPSELING:
Het inkapselen van een elektrische component in een omhulsel van isolatiemateriaal.
ISOLATIE:
Materiaal dat de elektrische stroom verhindert.
ISOLATIEBESTENDIGHEID:
Het vermogen om weerstand te bieden tegen elektrische stromen langs het oppervlak onder bepaalde omstandigheden.
J
K
KALANDER:
Een machine met drukrollen voor het maken van dunne kunststof weefsels of een machine die een kleeflaag en coatings op ondergronden zoals textiel aanbrengt.
KALANDERCOATER:
Een coatingmachine zonder oplosmiddelen die hoofdzakelijk wordt gebruikt voor het aanbrengen van kleeflagen op textiel en zware ondergronden die als tapedrager worden gebruikt.
KALIBER:
Zie Dikte
KETON:
Een zuurstof bevattend oplosmiddel dat vaak in lakken wordt aangetroffen.
Kleefkracht wordt uitgedrukt in eenheden voor het meten van het vermogen om onder specifieke omstandigheden van aanbrengen en verwijderen aan een ondergrond te hechten. De eenheid is kracht per oppervlak en kan Engels of metrisch zijn. De meetmethode is gewoonlijk de kracht die nodig is om een stuk tape van een gepolijst stalen oppervlak te verwijderen door de tape in een hoek van 180 graden met een snelheid van 300 mm/min af te trekken.
Kleefkracht is één van de factoren bij het bepalen van de hechtkwaliteit van een tape.
Andere factoren zijn:
- Gevoel: De mate van kleverigheid die men kan bepalen door de kleefstof met de vingers aan te raken. Dit is echter vaak een misleidende test voor kleefkracht.
- Aan vingers plakken: Zie - Gevoel.
- Hechtkracht: De weerstand tegen verschuiving van de tapes voor een bepaalde periode onder een bepaalde spanning. De hechtkracht wordt vervolgens gemeten door een klein vlakje tape op een bepaald oppervlak aan te brengen en een gewicht aan het vrije uiteinde van de tape te hangen. Hechtwaarden worden weergegeven als de tijd die verstrijkt tussen het aanbrengen van de tape en het tijdstip dat de tape het gewicht niet meer houdt. De testhoek voor het verwijderen kan 0 graden zijn of soms ook 20 of 90 graden. Deze waarden zijn vooral belangrijk als tijdens de toepassing constante druk op de tape wordt uitgeoefend.
- Pelsterkte: Dit is de kracht die nodig is om een strook tape in een bepaalde hoek en met een bepaalde snelheid van een oppervlak te trekken. Wordt doorgaans uitgedrukt in kg/625mm² en gemeten onder specifieke standaardomstandigheden.
- Snelplakken: De mogelijkheid om na een zeer kort contact bij zeer lage druk aan een bepaald oppervlak te hechten.
- Afschuivingskleefkracht: Dit is de cohesiekracht van een tape onder een trekhoek van 0 graden.
- Specifieke kleefkracht: De verhouding tussen de hechting aan een bepaald oppervlak ten opzichte van een willekeurig ander oppervlak als norm.
- Kleverigheid: Het kleverige gevoel van de kleefstof. Wordt gemeten door lushechting, hechting onder een hoek van 90 graden of een hechttest met een rollende bal.
KLEEFKRACHT AAN DRAGER:
De kracht die nodig is om een tape (op dezelfde manier als de pelsterkte) te verwijderen van zijn eigen drager waarop deze bij een specifieke druk na verwijdering van de rol (opnieuw) is aangebracht.
KLEEFKRACHT AAN STAAL TEST:
De kracht die nodig is om drukgevoelige tapes van een stalen paneel te verwijderen.
KLEEFKRACHT VOOR SNEL AFWIKKELEN:
Dit is de kracht die nodig is voor het afwikkelen van een rol tape bij relatief hoge snelheid die meestal gelijk is of hoger dan 15 meter/50 feet per minuut.
KLEEFLAAG:
De drukgevoelige laag die op een tape is aangebracht. De meest gangbare kleeflaag van het Lisa Rushforth-type is een combinatie van rubber en hars. Voor het creëren van drukgevoeligheid worden natuurlijke en/of synthetische rubbersoorten gecombineerd met harsen. Andere kleeflagen zijn: acrylkleeflagen, synthetische polymeren die kleven zonder toevoeging van harsen, en siliconenkleeflagen, siliconengommen en -harsen, die de hoogste gebruikstemperatuur van de normale drukgevoelige kleeflaag laten zien, gecombineerd met uitstekende verouderingseigenschappen en weerbestendigheid.
KLEEFLAAGAFZETTING:
De restanten van de kleeflaag die op het oppervlak achterblijven nadat de tape van de ondergrond is getrokken en verwijderd.
KLEEFLAAGSPLITSING:
Ook bekend als verstoring van de samenhang als de kleeflaag zowel op de ondergrond of het testoppervlak als op de tape zelf achterblijft wanneer de tape van de ondergrond of het testpaneel wordt verwijderd.
KLEEFLAAGVERPLAATSING:
De afzetting van de kleeflaag vanuit de normale positie op de tape naar het oppervlak waarmee de tape contact heeft gemaakt tijdens het afwikkelen of verwijderen. ZIE VERANKERING
KLEUR:
Kleuring van de tape gezien vanaf de achterzijde, ongeacht de kleur van de kleeflaag of andere componenten.
KLEURECHTHEID:
De tape veroorzaakt geen verkleuring van oppervlakken waarop deze is aangebracht.
KLEURVASTHEID:
Het vermogen van de tape om de kleur te behouden bij blootstelling aan licht.
KLEVERIG MAKEND MIDDEL:
Een hars of weekmaker die wordt toegevoegd om kleefkracht te geven.
KNIJPOPENING:
Opening tussen aanbreng- en doseringsrollen. Regelt de hoeveelheid kleefstof die op de ondergrond wordt aangebracht.
KNIKKEN:
Zie - Rolvervorming
KNIPSNIJDER:
Deze machine snijdt tape met roterende messen, waardoor een schaarbeweging ontstaat. Dit levert sterke gesneden rollen op. Met deze techniek kunnen taaie en dikke materialen zoals metaalfolietapes worden gesneden.
KOOLWATERSTOF:
Er zijn talloze organische verbindingen, zoals benzeen en methaan, die alleen bestaan uit koolstof en waterstof. Zij worden vaak gebruikt als oplosmiddel en worden van petroleum gemaakt.
KOPPELING:
Een methode om de kracht en hittebestendigheid van een kleeflaag (en in sommige gevallen de ondergrond) te verhogen door een chemische brug tussen de moleculenreeksen te vormen.
KOUDVLOEI:
De kruipende of trage beweging van een halfvaste stof onder spanning. Drukgevoeligheid betekent koudvloei, wat in de loop van de tijd voor meer kleefkracht zorgt. Deze term verwijst ook naar het onder de randen van de rol uitlopen van de kleeflaag en naar de toename van kleefkracht op poreuze oppervlakken tot de kleeflaag loslaat. Bij het beschrijven van de effecten van koudvloei gebruikte termen zijn:
- Hardheid: De bestendigheid van de kleeflaag tegen vloeiing of vervorming.
- Massa-uitzweting: Als de zijkant van een rol kleverig wordt doordat de kleeflagen onder de randen van de tape uitlopen.
- Uitlopen: Gelijk aan massa-uitzweting en leidt ook tot kleverige zijkanten van de taperollen.
- Plasticiteit: Mate van bestendigheid tegen vloeiing.
KRAFTPAPIER:
Kraftpapier wordt van met sulfaat bewerkte houtpulp gemaakt.
KREUKELS:
Dit zijn de vervormingen van dragermaterialen in de vorm van kreukels, vouwen en andere kleine onregelmatigheden die defecten in het weefsel veroorzaken.
KRIMPING:
De afname van de afmetingen van de tape die kan worden veroorzaakt door warmte of andere omgevingsomstandigheden.
KRUIPEN:
De langzame veranderingen in afmetingen veroorzaakt door constante belasting.
KRULLEN:
Als een rol tape wordt afgewikkeld en het losse uiteinde van de tape opkrult.
KRULRAND:
Het loslaten en opkrullen van de tape langs een scherpe rand. De buitenrand komt omhoog of krult op door de spanning die op dat bepaalde punt het hoogste is.
L
LAS:
Het punt waarop twee aparte tapelengtes aan elkaar worden verbonden.
LASTAFEL:
Een tafel voor het lassen.
LATEX:
Een emulsie van water en rubber gebruikt voor het verzadigen van de papieren drager. Kan ook als grondlaag worden gebruikt.
LEEGTE:
Een plekje aan de kleefzijde van de tape waar de kleefstof ontbreekt.
LICHTDOORLATEND:
Dit betekent gedeeltelijk transparant. Lichtdoorlatende tape laat enig licht door via de drager.
LOSLATEN:
Volledige breuk of slechts loslaten van het oppervlak waarop de tape is aangebracht.
LOSLATEN (2):
Deze term wordt gebruikt als delen van een tape van het oppervlak waarop de tape is aangebracht loslaten.
M
MARKEREN:
Dit komt voor als het door de tape bedekte oppervlak een zichtbaar contrast laat zien met de omgeving. Dit kan worden veroorzaakt door een verandering in de glans van het oppervlak of door een dikteverschil van de afwerking onder de tape.
MASSA:
De kleefstof die de drukgevoelige tape zijn eigenschappen verleent.
- Uitzweting: Zie - Koudvloei
- Gewicht: Hoeveelheden droge kleefstof die op de ondergrond of drager achterblijft. Wordt meestal beschreven in ounces per vierkante yard.
MAT:
Een weefsel van vezels.
MATTE AFWERKING:
Dof, niet reflecterend, onregelmatig oppervlak van de drager.
MEK (METHYLETHYLKETON):
Kleurloze, oplosbare, ontvlambare, vloeibare keton die wordt gebruikt als oplosmiddel voor harsen, als verfafbijtmiddel en in lakken, cement, kleefstoffen, reinigingsvloeistoffen en celluloid. Lost bepaalde soorten vinylharsen en natuurlijke rubbersoorten op.
METHYLEENCHLORIDE:
Sterk reinigingsmiddel dat bij de productie van condensators wordt gebruikt.
MIGRATIE:
De verplaatsing van een ingrediënt van één deel van een tape naar een ander deel of tussen een tape en het oppervlak waarop de tape is aangebracht.
MIGRATIE VAN WEEKMAKER:
Bepaalde weekmakers die bij de productie van kunststof panelen of vormen worden gebruikt, bewegen vanuit de kunststof naar de drukgevoelige kleefstof van de gebruikte tape. Dit leidt tot verweking van de kleefstof tot deze zijn kleefkracht verliest en maakt de aangrenzende kunststof licht broos.
MODULUS:
Meting die de spanning/trekeigenschappen van een materiaal aangeeft. Uitgedrukt als de kracht in pounds per square inch die nodig is om uitrekking te veroorzaken.
MOLECULAIR GEWICHT:
De meting van de grootte van een organisch molecuul of polymeer.
MONOMEER:
Bouwsteen waarmee een polymeerketen is opgebouwd.
N
NAAST DE KERN:
Een situatie waarbij de tape zelf een vlakke rol vormt. Gewoonlijk door verkeerde uitlijning met de kern aan het begin van het wikkelen.
NATUURLIJK RUBBER:
Verkregen uit de latex afkomstig van rubberbomen. Geeft drukgevoelige kleefstoffen hechting en bestendigheid tegen hoge temperaturen.
NYLON:
Een materiaal van polyamide dat zowel sterk als veerkrachtig is. Nylongaren heeft uitstekende eigenschappen met betrekking tot sterkte en uitrekking.
O
OHM:
Een eenheid van elektrische weerstand gelijk aan die van een geleider waarin één volt een stroom van één ampère produceert over de aansluitingen.
OMGEVINGSTEMPERATUUR:
De ongecontroleerde temperatuur van de lucht of andere media in een aangewezen gebied, in het bijzonder het gebied rondom de apparatuur. Wordt doorgaans beschouwd als kamertemperatuur.
ONDERGROND:
De primaire component waarop de kleeflaag wordt aangebracht. Kan van ieder vast materiaal zijn.
ONDOORZICHTIGHEID:
Het vermogen van een tape om geen licht door te laten. In de praktijk is ondoorzichtigheid nodig als een tape gedrukt materiaal of een donkere achtergrond bedekt.
ONGEWEVEN MATERIALEN:
Worden vervaardigd van een warrige structuur van vezels. Dergelijke dragers zijn natuurlijk of synthetisch.
ONTSPANNING:
Het proces waarbij spanningen die tijdens de productie en verwerking zijn ontstaan, worden opgeheven.
ONVOORBEREIDE TEST:
Een test die zonder de juiste voorbereidingen wordt uitgevoerd.
OOG:
Een monster van gecoate drager voor testen tijdens de verwerking. Dit monster wordt uit het midden van het weefsel bij het afwikkeleinde van de coater genomen.
OPLOSBAARHEID:
De mate waarin een tape of een component van een tape in een specifiek oplosmiddel oplost.
OPLOSMIDDEL:
In de drukgevoelige tapetechnologie is dit de vloeistof waarin verschillende ingrediënten van kleefstoffen worden opgelost om het aanbrengen op een drager te vergemakkelijken.
OPLOSMIDDELDISPERSIE:
Het mengsel dat de kleefstofcomponenten vormen als zij in een oplosmiddel zweven en niet daarin worden opgelost.
OPLOSSINGEN:
Homogene vloeibare mengsels die vaak een in een oplosmiddel opgeloste vaste stof bevatten.
OPSLAGSTABILITEIT:
De mogelijkheid voor het behouden van een bepaald niveau van de oorspronkelijke eigenschappen na een bepaalde tijd en onder opslagomstandigheden.
ORGANISCH:
Verwijst naar chemische stoffen op basis van koolstof, anders dan de eenvoudige verbindingen van koolstof met zuurstof of elementaire metalen.
OVEN:
In principe een tunnelachtig omhulsel waar de drager tijdens de productie doorheen wordt geleid om te drogen.
OVERHEIDSNORM:
Een overheidsdocument dat de eisen met betrekking tot een tape of een groep tapes uiteenzet.
OVERLAPPENDE LAS:
Een las met overlappende uiteinden.
OXIDATIE:
Reactie van zuurstof met een willekeurige stof. Oxidatie van drukgevoelige kleefstoffen maakt deze eerst zachter en daarna worden ze hard en verliezen ze hun kleefkracht.
OZONAANTASTING:
De afbraak van een rubber of kleefstof door inwerking van ozon in de atmosfeer.
P
PERFORATIEBESTENDIGHEID:
Bestendigheid tegen belastingen op kleine oppervlakken zonder de tape te doorboren.
POLYBUTADIEEN:
Een polymeer materiaal dat meestal zacht en rubberachtig is en zeer taai en elastisch. Het wordt gemaakt van butadieen monomeer.
POLYESTER:
Een taaie, sterke folie met een goede vocht-, oplosmiddel-, olie- en temperatuurbestendigheid.
POLYETHYLEEN:
Een polyolefine kunststof die tot een folie met lage trekkracht kan worden geëxtrudeerd. Het heeft goede vochtwerende eigenschappen, maar een beperkte temperatuurbestendigheid.
POLYIMIDE:
Een in folievorm amberkleurig polymeer met fysieke eigenschappen die gelijk zijn aan die van polyester, maar met een veel hogere temperatuurbestendigheid.
POLYISOPREEN:
Een polymeer synthetisch rubbermateriaal gemaakt van een isopropeen monomeer met dezelfde eigenschappen als rubber.
POLYMEER:
Een grote moleculaire keten bestaande uit zich herhalende monomeren.
POLYMERISATIE:
Het chemisch verbinden van monomeermoleculen tot een polymeer.
POLYPROPYLEEN:
Een polyolefine kunststof met dezelfde eigenschappen als polyethyleen, maar sterker en met hogere temperatuurbestendigheid.
POLYTETRAFLUOROETHYLEEN:
(PTFE of Teflon)
Een fluorhoudende, temperatuurbestendige kunststof met een inherente schutlaag. Wordt meestal geproduceerd als een geschilde folie waarbij materiaal met een scherp mes van een blok wordt geschild dat een ononderbroken weefsel vormt.
POLYURETHAAN:
Een taaie, slijtvaste polymeer die tot folie en andere vormen kan worden geëxtrudeerd.
POLYVINYLACETAAT:
Kunststof die veel wordt toegepast als coating voor papier of als kleeflaag voor het lamineren van weefsels.
POLYVINYLCHLORIDE:
(PVC)
Een synthetische kunststof die meestal als drager van een tape wordt gebruikt. Verkrijgbaar met en zonder weekmakers voor een soepele of stugge tape.
POLYVINYLFLUORIDE:
Een fluorhoudende folie met goede vuurbestendigheid, weerbestendigheid en goede elektrische eigenschappen.
PRODUCTIEROL:
Deze term verwijst naar de moederrollen van gecoate tape waarvan rollen worden gesneden.
PRODUCTIEROL (2):
Brede in plaats van smalle rol waarop een vooraf vastgestelde lengte tape is gewikkeld.
Q
R
RELATIEVE VOCHTIGHEID:
Dit is de verhouding tussen de hoeveelheid waterdamp in de lucht bij een bepaalde temperatuur en de maximale hoeveelheid water die de lucht kan bevatten bij die temperatuur en wordt uitgedrukt als percentage.
RIMPELEN:
Vochtopname uit de atmosfeer in een papieren schutlaag, waardoor de schutlaag uitzet en gaat rimpelen.
ROLSTIJFHEID:
Deze waarde geeft de juiste wikkeling van afzonderlijke taperollen weer en wordt gemeten aan de hand van de relatieve stijfheid van de wikkeling.
ROLVERVORMING:
Een algemene term voor een fysieke afwijking van de vorm en afmetingen van een perfecte taperol. Voorbeelden zijn:
- Knikken: Vervorming waardoor uitstulpingen langs de omtrek van de rol ontstaan.
- Verlopen: Term die wordt gebruikt om verloop van omtrek of verloop vanuit de kern aan te geven.
- Verloop van omtrek: Opeenvolging van bobbels die regelmatig langs de omtrek van de rol verschijnen. De ruimte tussen de bobbels ziet eruit als een tandwiel.
- Rolopening: (ook gaten genoemd) Twee lagen worden van elkaar gescheiden, waarbij een opening ontstaat.
- Verloop vanuit de kern: Vervorming die ontstaat als de tape radiale lijnen vertoont (vanuit de kern naar de buitenkant van de rol, lijken op de spaken van een wiel).
- Telescoopvorming: Tapelagen schuiven langs elkaar in dezelfde richting. Deze beweging lijkt op het uitschuiven van een telescoop.
RUBBER:
Dit is een natuurlijk of synthetisch polymeer met een lange keten met elastische, veerkrachtige en vormherstellende eigenschappen.
RUGZIJDE:
De andere kant van de zijde waarop de kleefstof is gecoat.
S
Deze machine snijdt de drager van de tape met een scheermesje voor een zeer gladde en sterke rand die moeilijk met de hand kan worden gescheurd.
SCHEIDINGSLAAG:
Meestal een dunne laag die aan de achterzijde van een folie wordt aangebracht of een andere ondoordringbare drager die voor een gecontroleerde afwikkeling van de tape zorgt. Scheidingslaag en rugzijde worden door elkaar gebruikt.
SCHEURSTERKTE:
(Scheurvastheid) Bestendigheid tegen scheuren. Scheurvastheid verwijst naar het verder gaan van een scheur door de rand te snijden of te kerven. Scheuring in dwars- en machinerichting is de gemeten bestendigheid, waarbij de scheurlijn in de dwars- en lengterichting van de tape loopt. Randscheursterkte of beginscheursterkte is de kracht die nodig is om een scheur bij een onbeschadigde, schone, niet ingekeepte rand te beginnen.
SCHOKVASTHEID:
zie Stootvastheid
SCHUIFMAAT:
Een instrument voor het meten van diktes die meestal in de orde van grootte van duizenden van een inch of millimeters liggen.
SCHUIM:
Materialen gevormd door het creëren van luchtbelletjes in een basismateriaal.
SCHUTLAAG:
Een op één of beide zijden met een geregelde hoeveelheid lossingmiddel aangebrachte schutlaag. Wordt vaak gebruikt bij etikettentape en dubbelzijdige tapes.
SCHUTLAAG (2):
Een weefsel of vel dat op de kleeflaag is aangebracht als bescherming tijdens transport en opslag. Wordt meestal voor gebruik verwijderd en weggegooid. Wordt meestal aangetroffen op dubbelzijdige tapes en op etikettentape.
SILICONENRUBBER:
Een polymeer met rubberachtige eigenschappen op basis van organische siliconenverbindingen dat bestand is tegen kwaliteitsvermindering bij zeer hoge temperaturen en bij lage temperaturen goed soepel blijft.
SLIJTVASTHEID:
De mogelijkheid om schuren en wrijving te weerstaan zonder uit elkaar te vallen.
SNIJDER:
Een snijmachine voor brede taperollen (productierollen of jumborollen) in afzonderlijke rollen met een bepaalde lengte en breedte.
SNIJMACHINE:
Deze machine snijdt rubbersamenstellingen in bepaalde afmetingen voordat deze tot een kleeflaag wordt verwerkt.
SNIJMES:
Een in een specifieke hoek en straal geslepen rond stalen wiel voor het snijden van gecoate dragers in rollen van bepaalde afmetingen.
SOORTELIJK GEWICHT:
De verhouding tussen de massa van een vaste stof of vloeistof en een gelijke hoeveelheid gedistilleerd water bij 4°C (39°F) of tussen een gas en een gelijke hoeveelheid lucht of waterstof bij voorgeschreven temperatuur en druk. Het soortelijk gewicht wordt ook relatieve dichtheid genoemd.
SPECIFICATIE:
Dit is een eisenpakket met betrekking tot de productie van een tape op basis waarvan een tape wordt getest en gemeten.
SPIRALEN:
Het kringelen van een rol tape na het afwikkelen door ongelijke spanning in de drager.
SPLITSING:
Het delamineren van de tapelagen of breuk van de tapedrager in de lengterichting.
SPOELEN:
Grote spoelen waarop kunstzijde of andere garens wordt gewikkeld en die ook bij de productie van strapping tapes worden gebruikt.
SPOELEN/MET SPOELMACHINE WIKKELEN:
Het proces van het wikkelen van gespoelde tape, vergelijkbaar met het om een haspel wikkelen van een vislijn.
STABILISATOR:
Een chemische stof die wordt toegevoegd ter verlenging van de levensduur van een materiaal.
STIJFHEID:
De buigweerstand en lage stijfheid zijn belangrijke factoren bij het bepalen van de voegbaarheid van de tape.
STOOTKRACHT:
De belastingscapaciteit van een tape bij breuk onder belasting met hoge snelheid. Het verschil met trekkracht is dat deze wordt gemeten bij een tragere snelheid onder een gelijkmatige belasting in een hoek van 180 graden.
STOOTVASTHEID:
De bestendigheid van een tape tegen belasting met grote snelheid (stoot).
STREPEN:
Vervormingen van de kleeflaag in de vorm van lijnen, vlekken of verkleurde krassen, tinten, structuur of afwezigheid van coating. Onderscheiden zich meestal van het normale gelijkmatige uiterlijk.
STUIKLAS:
Een las zonder overlap. Deze soort las kan met een dunne tape worden gemaakt.
STYREENBUTADIEEN:
Een synthetisch rubber gemaakt van styreen en butadieen monomeren die in kleefstoffen en in middelen voor het verzadigen worden gebruikt.
T
TAPE MET ZWAKKE HECHTING:
Een drukgevoelig materiaal met een zwakke kleefkracht. Wordt meestal gebruikt voor tijdelijke bescherming, waarna het gemakkelijk van het oppervlak verwijderbaar moet zijn.
TEGENROLCOATER:
De meest aanpasbare weefselcoatingmethode die verschillende dragers met een grote verscheidenheid aan kleefstoffen en oplossingen kan coaten.
TENSIOMETER:
Een instrument voor het meten van de spanning van folietapedragers.
THERMISCHE DUURZAAMHEID:
De tijd gedurende welke een tape het uithoudt bij een verhoogde temperatuur tot de tape niet meer aan de specificaties voldoet en meestal onbruikbaar wordt.
THERMISCHE GELEIDING:
De meting van het warmtegeleidende vermogen. De snelheden waarmee de warmte wordt geleid zijn afhankelijk van de thermische geleiding alsook van dikte, oppervlak en temperatuurverschil.
THERMISCHE UITZETTING:
De toename van de afmetingen veroorzaakt door verhoging van de temperatuur van het materiaal.
THERMOHARDER:
Kunststof materialen die bij hoge temperaturen chemisch veranderen in een hardere, minder plastische of elastische vorm. De eigenschappen zijn na het afkoelen veranderd.
THERMOPLAST:
Een materiaal dat herhaaldelijk zacht wordt bij verwarming en hard bij afkoeling. Normale drukgevoelige kleefstoffen zijn thermoplastisch.
TOESLAGSTOF:
Stoffen die aan een kleeflaag worden toegevoegd om de kosten te verlagen, maar die weinig effect hebben op de functionele eigenschappen.
TOLERANTIE:
Dit is de toegestane afwijking van een standaardtestwaarde. Uitgedrukt in + of -.
TOLUEEN:
Een sterk aromatisch koolwaterstofoplosmiddel dat veel gebruikt wordt in de kleefstofsector.
TRANSFER TAPE:
Een dubbelzijdige tape bestaande uit een folie of kleeflaag zonder drager, maar met een schutlaag of bekleding.
TRANSPARANT:
Het vermogen om licht zonder diffusie door te laten. Een tape is transparant als een lettergrootte 10 gemakkelijk leesbaar is.
TREKKRACHT:
De maximale trekkracht in de lengterichting die een materiaal van standaardafmetingen kan weerstaan bij het breekpunt. Bij drukgevoelige tapes of andere dunne producten is de eenheid kracht per breedte (pounds per inch/gram per 25 mm). Vaak wordt gebruikgemaakt van kracht per doorsnede (pounds per square inch of Newton per vierkante millimeter).
- Droge trekkracht: De sterkte van papieren tape na een bepaalde periode van blootstelling aan een specifieke vochtigheid.
- Natte trekkracht: Sterkte van papier die de prestaties van de tape meet bij blootstelling aan vocht.
- Trekkracht in de lengterichting: Parallel aan de lengte van de tape gemeten.
- Trekkracht in de dwarsrichting: Gemeten bij hoeken die loodrecht op de lengterichting van de tape staan.
U
UITHARDEN:
Zie – Uitharden door middel van warmte.
UITHARDEN DOOR WARMTE:
Toepassing van warmte op een tape, waardoor een chemische reactie wordt veroorzaakt die verbindingen vormt die de cohesiekracht van de kleeflaag verhogen. Dit proces levert meestal een hogere bestendigheid tegen hoge temperaturen en oplosmiddelen op.
UITREKKING:
Uitrekking is de hoeveelheid rek onder belasting, meestal uitgedrukt in een percentage van de oorspronkelijke lengte.
UITREKKING BIJ BREUK:
Het percentage waarbij een tape in de lengte is uitgerekt tot het breekpunt. Dit wordt uitgedrukt als een percentage van de oorspronkelijke lengte zonder belasting.
UITVLOEIING:
Het vermogen van een kleefstof om uit te vloeien en goed contact te maken met oppervlakken waarop het is aangebracht.
UITVLOEIING BIJ KARTONNEN DOOS:
De directe kleefkracht van een tape aan een oppervlak van een kartonnen doos onder weinig druk.
UPVC:
Dit is de afkorting van Un-plasticised Polyvinylchloride, een stugge folie die wordt gebruikt in verpakkingen en als transparante tape bij kantoorartikelen.
V
VASTE STOFFEN:
Het gewichtpercentage van de niet-vluchtige stoffen in een kleefstof of andere oplossing.
VERANKERING:
De kleefkracht van de kleeflaag op de drager/ondergrond. Bij onvoldoende verankering leidt dit tot een onbedoelde verplaatsing van de kleeflaag naar de ondergrond. Het verschil tussen dit en splitsing is dat hier slechts een deel van de kleeflaag wordt verplaatst. Zie - Kleeflaagsplitsing
VERKLEURING:
De verkleuring van een oppervlak waarop een tape is aangebracht.
VERONTREINIGING:
Dit zijn kleine hoeveelheden onzuiverheden die een product vaak ongeschikt maken voor het specifieke gebruik.
VERPLAATSING:
Deze term verwijst meestal naar massaverplaatsing, maar laat soms een tapecomponent vrij die tijdens het afwikkelen of verwijderen van zijn plaats naar een andere plaats beweegt.
VERSNIPPERING:
Deze term wordt meestal gebruikt bij masking tape als deze scheurt tijdens het verwijderen van een oppervlak.
VERSTERKING:
Dit is een materiaal dat meestal tussen de drager en de kleeflaag wordt aangebracht voor extra sterkte. Materialen die kunnen dienen als versterking zijn ongeweven materialen, papierweefsels, synthetische folies, textiel (bijv. dubbelzijdige tapes), garens, dunne in de lengterichting liggende glasdraden, nylon of andere materialen die hoge sterkte bieden (bijv. extra sterke hechttape).
VERSCHUIVING:
De beweging van een onderdeel van de tape, meestal de kleeflaag, van de oorspronkelijke plaats naar een andere plaats. Deze beweging kan plaatsvinden tijdens het afwikkelen van de tape of bij het verwijderen van de tape van een oppervlak waarop het is aangebracht. Verschuiving kan van toepassing zijn op de kleeflaag, op inktverschuiving van bedrukte tapes en op verschuiving van de drager naar de kleeflaag.
VERWIJDEREN:
Het verwijderen van tape van het oppervlak waarop het is aangebracht.
VERZADIGEN:
Bij dit proces wordt de drager gedrenkt in materialen ter versterking en grotere bestendigheid tegen verschillende invloeden. Bijvoorbeeld, de drager van papiertapes kan maximaal 50% rubberimpregnaten bevatten.
VERZADIGINGSAPPARAAT:
Het apparaat dat wordt gebruikt om de tapedragers met oplossingen te verzadigen.
VEZEL:
De natuurlijke of synthetische draden (bijv. katoen of nylon) die tot een weefsel kunnen worden gesponnen. Kan ook tot ongeweven matten worden geperst.
VISCOSITEIT:
De bestendigheid van een vloeistof tegen uitvloeien. De metingen van deze eigenschap bieden nuttige informatie over de toepasbaarheid van een materiaal als coating.
VISSENOGEN:
Dit zijn op blaasjes lijkende ronde afwijkingen die zichtbaar worden op een transparante tape en die doorgaans bij nieuw geproduceerde taperollen worden aangetroffen. Zij worden veroorzaakt door tussen de lagen van de rol opgesloten lucht. Dit duidt meestal niet op slechte kwaliteit. Vissenogen verdwijnen vaak tijdens de opslag.
VLAGGEN:
Dit is als het uiteinde van een stuk tape loslaat van het object waarop het had moeten hechten. Dit komt meestal voor bij kunststof tapes. Zie - Krullen, Dode uitrekking, Elastisch geheugen, Loslaten.
VLAMPUNT:
Het vlampunt is de laagste temperatuur waarbij de damp van een brandbare vloeistof direct in lucht tot ontsteking komt.
VLUCHTIGHEID:
De resterende hoeveelheid oplosmiddel in verschillende gecoate materialen of grondstoffen.
VOCHTBESTENDIGHEID:
De bestendigheid tegen doorlating, absorptie of effecten van vocht.
Het vermogen om zich te voegen naar een onregelmatig oppervlak zonder te rimpelen of te plooien.
VOUWEN:
Vervormingen in de weefselmaterialen bij laminaten of producten met een schutlaag. Vouwen verschijnen als plooien op het oppervlak en vaak zijn de twee gelamineerde componenten van elkaar gescheiden. Zij lopen meestal dwars op de machinerichting.
VULLER:
Vullers zijn stoffen die aan een kleeflaag worden toegevoegd ter verbetering van sterkte, eigenschappen of uiterlijk.
VUURBESTENDIGHEID:
Dit is de bestendigheid van een tape tegen blootstelling aan open vuur. Brandwerende materialen branden niet als zij aan een vlam worden blootgesteld en vuurbestendige (brandvertragende, zelfdovende) materialen branden wel als zij aan een vlam worden blootgesteld, maar blijven niet branden als de vlam wordt verwijderd.
W
WANDMIXER:
Een langzaam draaiende trommelmenger bestaande uit één as met één of meerdere bladen.
WATERABSORPTIE:
De meting van de hoeveelheid water die een tape onder bepaalde omstandigheden opneemt en vasthoudt.
WATERDAMPDOORLAATBAARHEID:
Het gewicht van waterdamp die in een vastgestelde tijd door een vastgesteld stuk tape heendringt bij een bepaalde temperatuur en vochtigheid.
WATERDOORDRINGING:
Het vermogen van de tape om water door te laten.
WEEFSEL:
Dit is een synoniem voor drager of ondergrond.
WEEKMAKER:
Een vloeistof of semi-vloeistof die in een materiaal is opgenomen ter verhoging van de soepelheid en de bruikbaarheid.
WEERSTANDSVERMOGEN:
De specifieke bestendigheid van een materiaal tegen een bepaalde mechanische, chemische of elektrische belasting.
WIJKKRACHT:
De maximale kracht die bij uitoefening op een tape deze uitrekt. Als de spanning wordt opgeheven, keert de tape naar de oorspronkelijke afmetingen terug. Bij uitoefening van een grotere kracht wordt het materiaal plastisch vervormd.
WIKKELING:
De apparatuur aan het einde van de coater die de gecoate tape op een rol wikkelt.
WIKKELPROGRAMMA:
Een voorziening die de wikkelspanning automatisch tijdens het wikkelen van de taperollen aanpast.
X
Y
Z
ZWEEM:
Een wazige afzetting van een lijmbestanddeel die na het verwijderen van een tape achterblijft.